Met de provinciale bijdrage kunnen monument eigenaren bepalen of herbestemming kansrijk is. Met het geld kan een eigenaar nu ook een energiescan laten uitvoeren. De subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,-. Aanvragen kunnen worden ingediend tot 1 november 2017 en worden behandeld volgens het principe wie het eerst komt, wie het eerst maalt. In totaal is € 100.000,- beschikbaar.
Toolkitduurzaamerfgoed
Duurzame bronnen
Met duurzame bronnen wordt bedoeld onuitputtelijke energiebronnen zoals zonne-energie, windenergie en bodemwarmte. Bij monumenten kan onder bepaalde voorwaarden ook gebruik worden gemaakt van deze bronnen. Vaak wordt Biomassa ook als duurzame bron genoemd al bestaat hier discussie over omdat er wel CO2 bij vrij komt.
Een onderscheid is te maken tussen:
Installaties
Met een goede toepassing van installaties kan er efficiënt met energie worden omgesprongen en een hoog rendement worden gehaald. Een goede installatietechniek die is afgestemd op het pand en het gebruik, maakt het mogelijk dat de soms lagere isolatiewaarde van de bouwkundige schil van monumenten gedeeltelijk kan worden gecompenseerd. Naarmate de gebruiksintensiteit en het daaraan gekoppelde energieverbruik van een gebouw hoger is, zijn de investeringen in aanvullende installatietechniek rendabel.
De eerste stap in een goede installatietechniek is een energiezuinig verwarmingssysteem; daarvoor bestaan diverse opties met verschillende warmtebronnen. Ook kan gedacht worden aan Warmte Terugwinsystemen (WTW) die energieverlies voorkomen. Afhankelijk van de omvang en complexiteit van een gebouw of complex kan ook gedacht worden aan een Gebouw Beheers Systeem (GBS) waarbij o.a. de installaties voor verwarming, ventilatie en eventueel luchtbehandeling aan elkaar worden gekoppeld om zo een efficiënt energieverbruik te bewerkstelligen.
Er is een keuze te maken tussen:
Eenvoudige maatregelen
Er zijn veel eenvoudige voorzieningen in de handel die het energiegebruik beperken. Tijdklokken, schemerschakelaars, bewegingsmelders en/of een centrale aan/afwezigheid schakelaar bij de entree zijn voorbeelden van middelen die ervoor zorgen dat zaken in en om een gebouw in- of uitschakelen. Dergelijk eenvoudige toepassingen hebben een relatief lage investering en een duidelijk effect. Verder biedt een pand vaak zelf maatregelen om energie te besparen zoals, indien aanwezig, de luiken of de en-suite-deuren te gebruiken. Daarnaast valt veel energie te besparen met gedrag. Bijvoorbeeld een wat lagere temperatuur aanhouden, of niet het hele huis naar kamertemperatuur verwarmen, bespaart aanzienlijk op de energierekening.
Er zijn veel maatregelen die onnodig energieverlies of verspilling voorkomen, zoals waterbesparende douchekoppen en thermostaatkranen; deze worden hier niet allemaal behandeld. Een aantal veel voorkomende voorzieningen zullen worden uitgelicht die een direct positieve invloed hebben op het energiegebruik van monumenten:
Gevel
Er bestaan veel technieken om gevels na te isoleren. Wel is grote mate van zorgvuldigheid geboden omdat na-isolatie van buitenmuren bij oude gebouwen veel problemen kan opleveren. Vaak zijn oudere gebouwen zodanig gebouwd dat gevelisolatie vaak niet overal kan worden doorgezet. Op de koudere plekken die hierdoor ontstaan, koudebruggen genaamd, kan condens optreden die tot vochtplekken en schimmelvorming kunnen leiden. Ook ontstaat het risico tot inwendige condensatie door de afkoelende warmere lucht die door de ademende constructie heen gaat en water verliest. Plaatselijk kan de constructie hierdoor erg nat worden en tot bijvoorbeeld rottende houten balken en roestende ijzeren gevelankers leiden. Zo kan een gebouw, dat misschien al honderden jaren in een prima conditie verkeert, in enkele jaren kapot gaan.
Het is belangrijk te realiseren dat isolatie van wanden in verhouding een beperkt effect heeft als de isolatiewaarde van de ramen niet verbeterd is. De isolatiewaarde van de totale constructie wordt immers bepaald door de zwakste schakel. Het is bij na-isolatie van gevels dan ook van belang dat dit in samenhang gebeurt met de ramen. Zie Ramen.
Panden van vóór 1900 zijn doorgaans uitgevoerd met massieve muren. Vanaf de eeuwwisseling wordt de spouwmuurconstructie geleidelijk aan toegepast al bestaan er ook oudere spouwmuurconstructies. Vanaf de jaren ’30 van de twintigste eeuw voert de spouwmuur de boventoon en vanaf de jaren ’40 worden alleen nog maar spouwmuurconstructies toegepast. Tot de jaren ’70 zijn spouwmuren meestal ongeïsoleerd uitgevoerd.
Vloeren
Het isoleren van vloeren tussen verwarmde en onverwarmde ruimtes, zoals een begane grondvloer of eventueel een zoldervloer, beperkt het warmteverlies aanzienlijk. Het isoleren van vloeren tussen verwarmde ruimtes heeft in verhouding een geringer effect en blijft hier buiten beschouwing. Het isoleren van vloeren kan van boven of van onder af. In beginsel maakt het energetisch niet uit of de isolatie op of onder de vloer wordt aangebracht. Het product en/of de methode zijn daarentegen wel van invloed op het isolatieniveau. De technische situatie en aanwezige monumentale waarden bepalen in hoge mate wat de meest geschikte oplossing is.
Er bestaan veel producten en systemen om vloeren te isoleren. Veel hangt af van het type vloer en de condities van de ruimte eronder. Het isoleren van een begane grondvloer beperkt het warmteverlies met gemiddeld 10%. Het isoleren van een zoldervloer bij een ongeïsoleerde zolder met ca. 15%.
Er is een keuze te maken tussen:
Daken
Via daken vindt veel warmteverlies plaats. Voor het na-isoleren van daken bestaan verschillende oplossingen. De mogelijkheden hangen af van het type dak, de aansluitingen op o.a. goten en gevels en het type dakbedekking.
Er is een onderscheid te maken tussen:
Ventilatie
Ventilatie is essentieel voor een gezond binnenklimaat en om vocht uit een gebouw af te voeren. Wanneer de kierdichting van een pand is verbeterd, verdient de ventilatievoorziening dan ook extra aandacht.
Ventilatie kan op een natuurlijke wijze plaats vinden en/of aangestuurd worden door een inblaas en/of afzuigunit. Volledig natuurlijke ventilatie is het meest eenvoudig en minder kostbaar dan volledig mechanische ventilatie. Een nadeel van natuurlijke ventilatie is dat het minder goed gecontroleerd is. Bij volledig mechanisch is de aan- en afvoer van lucht geregeld. Er wordt dan gesproken over een gebalanceerd ventilatiesysteem. Een nadeel van volledig mechanische ventilatie daarentegen is dat een bewoner minder invloed heeft op de ventilatie en dat de systemen onderhoud behoeven.
In gebieden met een hogere geluidsbelasting is een natuurlijke ventilatievoorziening vaak gekoppeld aan een zogenaamde suskast. Een suskast is een voorziening om het geluid van buiten te reduceren.
Een nadeel van ventilatie is dat het tot energieverlies leidt, immers de verwarmde lucht wordt afgevoerd ten behoeve van verse koude lucht. Om dit te voorkomen kunnen volledig mechanische systemen gekoppeld worden aan een Warmte Terug Win systeem, een zogenaamde WTW, waarbij de uitgaande lucht de inkomende lucht verwarmt in een warmtewisselaar. Deze systemen zijn tot dusverre relatief kostbaar.
Er is een keuze te maken tussen:
Tochtwering
Tocht kan ontstaan door ramen en deuren die open staan maar ook door naden en kieren in de buitenschil van een gebouw. Door tocht treedt veel energieverlies op. In de regel is de zwakste schakel in de energiehuishouding van veel historische bebouwing de kierdichting. Omdat de zwakste schakel sterk bepalend is voor de totale energieprestatie van een gebouw moet bij het na-isoleren allereerst naar de verbetering van de kierdichting worden gekeken. Het effect van andere maatregelen is immers beperkt wanneer de kierdichting niet voldoende is. Naast kierdichting bij ramen en deuren kunnen zich ook op veel andere plaatsen naden in de constructie bevinden zoals naast kozijnen, bij kapconstructies en vloeren. Ook kunnen bij brievenkasten of rookkanalen ongewenste luchtstromen en warmteverlies ontstaan.
Voor tochtwerende maatregelen kan een onderscheid worden gemaakt tussen:
Ramen
In de regel is de zwakste schakel in de energiehuishouding van veel historische gebouwen de kierdichting van de ramen. Omdat de zwakste schakel sterk bepalend is voor de totale energieprestatie van een gebouw moet bij het na-isoleren allereerst naar de verbetering van de kierdichting worden gekeken. Het effect van andere maatregelen is immers beperkt wanneer de kierdichting niet voldoende is. Daarnaast kan met de toepassing van isolatieglas veel energieverlies worden voorkomen. De mogelijkheden zijn sterk afhankelijk van de detaillering en monumentale waarden van het raam.
Er is een keuze te maken tussen: