Zonne-energie

Bij zonne-energie kan een onderscheid worden gemaakt tussen zonnecollectoren en zonnepanelen. Zonnecollectoren genereren warmte, meestal ten behoeve van het verkrijgen van warm water zoals een zogenaamde zonneboiler. Daarnaast zijn er systemen die zonnewarmte vergaren van de dakbedekking. Zonnepanelen, oftewel foto-voltaïsche cellen, zijn voor de productie van stroom.

Het plaatsen van zonne-energiesystemen in het zicht bij monumenten worden in de regel als detonerend ervaren en daarom niet toegestaan. Bij hellende daken die grenzen aan de openbare ruimte, zijn de mogelijkheden daarom vaak beperkt of niet aanwezig. De mogelijkheden worden gedicteerd door de lokale welstandsnota’s en/of ander vingerend lokaal beleid.

Bij platte daken en niet zichtdaken bestaan vaak wel mogelijkheden voor de plaatsing van panelen. De ideale plaatsing van een paneel is 35°. Bij platte daken kan deze plaatsing nog steeds leiden tot een verstoring van het beeld en het afkeuren door de plaatselijke monumentencommissie. Een alternatief is dan het paneel nagenoeg vlak te plaatsen (bv. 10°), maar dit leidt weer tot 10 tot 15% minder opbrengst en de noodzaak tot meer schoonmaakbeurten om rendementsverlies door vervuiling tegen te gaan.

Ook is de oriëntering van de panelen en de aanwezigheid van schaduw van de omgeving (bouwdelen, bomen etc.) een aandachtspunt. De meest ideale oriënteringen zijn uiteraard zuidwest, zuid en zuidoost. Bij een westelijke of oostelijke oriëntering is het rendement meestal te laag t.o.v. de investering. Een uitzondering hierop vormen relatief flauw hellende daken, bijvoorbeeld het boven-dakvlak van een mansardedak. Wanneer de hellingshoek van het oostelijk of westelijk georiënteerde dakvlak 30° of kleiner is, bedraagt de opbrengst van het paneel toch nog ca. 80-85% van een zuidelijk georiënteerd paneel.

Bij schaduwval op het paneel ligt de opbrengst aanzienlijk lager, helemaal wanneer de panelen serie-geschakeld zijn. Serie-geschakeld is eenvoudiger en goedkoper, maar bij schaduwval (bijvoorbeeld van een schoorsteen) gaat de opbrengst drastisch naar beneden. Een parallelschakeling (micro omvormers) beperkt dit verlies.

Bij sommige monumenten, zoals boerderijen of panden met een grote tuin (zonder beschermde aanleg of beschermd beeld), bestaat de mogelijkheid om zonnepanelen in de tuin of weiland nabij het pand te plaatsten.

Voor zonnepanelen bestaat de mogelijkheid om gebruik te maken van de zogenaamde postcoderoos-regeling. Op een geschikt dak in de nabijheid van het pand (eigen postcode en aangrenzende postcodes) kunnen kleinverbruikers collectief zonnepanelen plaatsen. De leden krijgen een fiscaal voordeel op hun energierekening.

De levensduur van een paneel of collector is 20 tot 25 jaar. De terugverdientijd varieert afhankelijk van het type en de situering van 10 tot 15 jaar.

Er is een onderscheid te maken in:

Verwarming

Er valt veel energie te besparen met een goede inregeling van het bestaande verwarmingssysteem (15-20 %). Een grote verbetering treedt al op bij een weersafhankelijke regeling waarbij de stooktemperatuur wordt aanpast aan de buitentemperatuur.  Daarnaast kan gekeken worden hoe de diverse vertrekken worden verwarmd en alleen de ruimten te verwarmen waar nodig. Zo is met de toepassing van draadloos bedienbare thermostaatkranen eenvoudig een aansturing per radiator mogelijk. De gebruiker kan dan op afstand ieder vertrek apart regelen met behulp van bijvoorbeeld een smartphone of tablet.

Het plaatsen van een hoog rendementsketel (HR-ketel) is inmiddels gemeengoed als het gaat om het reduceren van het gasverbruik. Er zijn daarnaast diverse andere systemen die ervoor zorgen dat de energiebehoefte minder hoog is. Dit kan door de toepassing van een verwarmingsysteem dat minder energie verbruikt zoals Laag Temperatuur Water verwarming (LTW) of gebruik maakt van andere warmtebronnen zoals een warmtepomp, biomassa of warmte opwekken met elektriciteit.

Ook is een aansluiting op stadsverwarming gunstig voor de energieprestatie van een pand.  Een variant op stadsverwarming is blokverwarming; daarmee kan bijvoorbeeld een heel huizencomplex worden voorzien van warmte via een collectieve ketel. Collectief warmte opwekken met gebruik  van restwarmte is gunstiger voor het milieu dan individueel warmte opwekken. Stadsverwarming is te koppelen aan zowel radiatoren als LTW.

Er is een onderscheid te maken tussen:

Isolatie aan de binnenzijde

Aan de binnenzijde van de wand wordt isolatiemateriaal aangebracht. Dit kan rechtstreeks tegen de muur maar vaak wordt ook een luchtspouw in combinatie met een voorzetwand toegepast. De spouw moet wel met buitenlucht worden geventileerd. Dit is in de praktijk vaak lastig te realiseren; het vraagt om gaten in de buitenmuur en de spouwen zijn op de plek van zijwanden en vloeren onderbroken waardoor de ventilatie niet door kan lopen. Vochtophoping kan dan het gevolg zijn. Vandaar dat de toepassing van een luchtspouw meestal wordt afgeraden.

Naast een voorzetwand bestaat ook het systeem met een ‘doos in een doos-principe’. In een ruimte wordt dan een volledig nieuwe kamer gebouwd waarbij de nieuwe wanden, plafonds en vloeren zijn geïsoleerd. Deze constructie moet aan alle zijden geventileerd worden met buitenlucht. Voor het gemiddeld pand is dit vanwege het ruimteverlies en omvang van de ingreep (en kosten) meestal geen reële optie.

Over het geheel genomen leidt het isoleren van massieve buitenmuren aan de binnenzijde tot veel problemen. De gebouwen worden ‘thermisch lek’ waardoor koudebruggen bijna niet zijn te voorkomen en het isolatieniveau wat lager zal moeten worden gehouden. Het isolatiemateriaal kan vaak niet worden doorgezet bij vloeren en binnenwanden die aansluiten op de buitenmuur, waardoor op die plekken koudebruggen ontstaan. Ook bij monumentale plafonds is dit het geval. Daarnaast ontstaan vaak vochtproblemen bij de aansluiting van een binnenwand op een geïsoleerde buitenmuur.

Het aanbrengen van isolatiemateriaal aan de binnenzijde betekent voor een gemiddeld pand een energieverbetering van slechts 10 tot 15% (afhankelijk van de oppervlakte van de buitenmuur). Bij tussenwoningen met relatief veel glas in de voor- en achtergevels ligt dit nog lager.

De meeste problemen doen zich in de praktijk voor bij de oplegging van houten balken in de buitenmuur en bij houten strijkbalken langs een buitenmuur, zelfs al is het isolatiemateriaal door te zetten, Zo is de muur gedurende een groot deel van het jaar kouder en daardoor vochtiger waardoor houtrot kan optreden. Als oplossing kan de balk geventileerd worden geplaatst. Een andere oplossing is de toepassing van een kunststof kap die de balk omsluit (caps). Nadeel is dat de balk hiervoor uit de muur moet worden gehaald en aan de buitenzijde een kunststof rand zichtbaar zal zijn. Bij beschermde monumenten wordt deze oplossing door monumenteninstanties doorgaans niet toegestaan.

Bij strijkbalken moet tussen de muur en de balk minimaal 25 mm isolatiemateriaal worden aangebracht om condensatieproblemen te voorkomen. Is dit niet mogelijk dan moet van wandisolatie worden afgezien. Een oplossing is het verplaatsten van de strijkbalk.  Bij beschermde monumenten wordt dit in de regel niet toegestaan. Het inpakken van de strijkbalk of de strijkbalk aan de koude zijde van de isolatie leggen, leidt tot verstikking van de balk en is daarom niet mogelijk.

Bij de aansluiting van binnenwanden op een massieve buitenmuur, ontstaan ook koudebruggen omdat het isolatiemateriaal hier niet kan worden doorgezet. Bij het koudere vlak kan dan vervolgens condensvorming en schimmel optreden. Als oplossing zou de binnenwand bij de aansluiting op de buitenmuur aan weerszijden met isolatiemateriaal kunnen worden bekleed. In de regel is 500 mm doorzetten van het isolatiemateriaal tegen de binnenwand afdoende. Bij lichte, niet dragende, scheidingswanden kan de wand eventueel worden losgehaald van de buitenmuur en het isolatiemateriaal worden doorgezet.

Wijze van isoleren

Bij na-isolatie worden de isolatieplaten of dekens rechtstreeks tegen de muur bevestigd. Dit kan op de traditionele manier met de toepassing van een dampwerende folie of met vochtregulerende isolatiematerialen. Er bestaan diverse isolatiematerialen; het type materiaal maakt in beginsel niet uit maar om een zeker isolatieniveau te bereiken, maakt het verschil in plaatdikte daarentegen wel uit. Het is hierbij van belang dat het isolatieniveau is afgestemd op de constructie.

Er is een onderscheid te maken tussen:

Massieve muren

Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen isolatie vanaf de binnenzijde en isolatie vanaf de buitenzijde. Omdat binnenisolatie meestal niet bij vloeren etc. kan worden doorgezet, kunnen er in tegenstelling tot buitengevelisolatie, koudebruggen ontstaan. Bij buitenisolatie ligt de hele constructie ‘warm’ achter de isolatie waardoor koudebruggen achterwege blijven. Het grote nadeel van buitengevelisolatie is daarentegen dat het beeld sterk wijzigt. Daarnaast kunnen zich diverse aansluitingsproblemen voordoen bij bijvoorbeeld ramen en daken. Daarom wordt buitengevelisolatie bij beschermde monumenten en beeldbepalende panden doorgaans niet toegestaan door monumenteninstanties. Bij buitenisolatie kan een hoger isolerend niveau bereikt worden dan bij binnenisolatie. Bij binnenisolatie moet het isolerend niveau zijn afgestemd op de eigenschappen van de omliggende constructie om condensproblemen bij eventuele koudebruggen te voorkomen. Vaak moet er daarom met een wat lager isolatieniveau genoegen worden genomen. Bij buitengevelisolatie geldt deze beperking niet.

Zoldervloer

Bij een lage zolder of een zolderverdieping die niet direct gebruikt wordt, kan er ook voor worden gekozen om de zoldervloer te isoleren. Het is een goed alternatief voor het isoleren van de dakconstructie en het kleinere te isoleren oppervlak maakt het een eenvoudiger en goedkopere maatregel. Wel moet de zolder geventileerd worden met buitenlucht. Bijkomend voordeel is dat de zolder een extra buffer vormt tussen binnen en buiten en daarmee bijdraagt aan het isolatieniveau.

Er is een onderscheid te maken tussen:

Begane grondvloer van onder af isoleren

Naast het aanbrengen van traditionele isolatiematerialen onder de vloer of tussen de balken, bestaan er ook systemen waarbij de vloer vanaf de onderzijde wordt ingespoten met isolatiemateriaal. Ook zijn er systemen in de handel met warmte reflecterende folies, vaak gecombineerd met luchtkamers, die met name voor kruipruimten geschikt zijn. Voor kruipruimten bestaan er ook systemen met een bodembedekking. Bij houten vloeren is het van groot belang dat het gekozen systeem kan ademen en niet dampdicht is. Zo kan een houten vloer bij de toepassing van een dampdichte isolatielaag aan de onderzijde en een eveneens dampdichte vloerafwerking aan de bovenzijde (zoals een synthetische vloerbedekking, laminaat, linoleum, vinyl of tegels) ‘verstikken’. Verder is het van belang dat de kelder of kruipruimte goed wordt geventileerd met buitenlucht.

Voor na-isolatie van onderaf kunnen de volgende aanpakken worden onderscheiden:

 

Begane grondvloer

Begane grondvloeren kunnen boven een kelder of een kruipruimte liggen maar ook rusten op het onderliggende zandpakket. Bij souterrains die in gebruik zijn als woonverdieping is dit vaak het geval maar het komt ook voor bij een reguliere begane grond. Hoewel er een onderscheid valt te maken tussen houten vloeren enerzijds en betonvloeren en troggewelf-vloeren anderzijds, kan alles wat geschikt is voor een houten vloer ook toegepast worden bij een steenachtige vloer, maar niet omgekeerd. Vandaar dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen de soorten vloeren en er alleen wordt aangegeven wanneer een oplossing minder of niet geschikt is voor houten vloeren.

Dakleer

Bij hellende daken zijn bitumineuze dakbedekkingen meestal in de vorm van shingles toegepast, een dakbedekking die in beperkte mate het uiterlijk heeft van een leidekking. De toepassing van bitumineuze shingels is geen traditionele dakbedekking maar bij oude panden is deze dakbedekking in de plaats gekomen van bijvoorbeeld leien of zink. In de regel wordt een bitumineuze dakbedekking gezien als een verarming van het beeld. Daarom sturen monumenteninstanties bij beschermde monumenten er dikwijls op aan dat deze wordt vervangen door een voor het pand beter passend materiaal wanneer de bitumineuze dakbedekking aan vervanging toe is.

Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen:

Rieten daken

Traditioneel zijn rieten daken gebonden. Een rieten dak moet goed worden geventileerd omdat het dak anders verstikt. De isolatiewaarde van een traditioneel gebonden dak zelf is verwaarloosbaar. Naast de traditionele methode wordt tegenwoordig bij woonhuizen vaak ook een onderschoten rieten dak, ook wel geschroefd rietdak genaamd, toegepast omdat het een betere brandveiligheid biedt. Sinds enkele decennia wordt een onderschoten dak ook wel gecombineerd met een isolatiepaneel.

 

Zinken en koperen daken

Bij zinken en koperen daken kan net als bij de overige dakbedekkingen een onderscheid worden gemaakt tussen een warm dak en een koud dak-constructie, maar in de praktijk maakt men echter een ander onderscheid. Er zijn namelijk twee manieren om een metalen dak aan te brengen: een geventileerd of een ongeventileerd dak. Een geventileerde onderconstructie is het meest beproefd en roept technisch de minste problemen op. Traditioneel wordt een metalen dak geventileerd geplaatst waarbij er zich naden bevinden tussen de houten planken van het dakbeschot. Dit is gedaan om het eventuele condens tegen het metaal aan te laten verdwijnen. Een geventileerd dak is goed te combineren met een zogenaamd koud dak-constructie. Bij een niet geventileerde constructie moet het metaal eraf en wordt het isolatiemateriaal aan de buitenzijde op beschot aangebracht, wat leidt tot een warm dak-constructie.